A1

C'è en ci sono in het Italiaans

C'è e Ci sono

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Italiaans op Settemila Lingue.

Overzicht

Met c'è en ci sono zeg je in het Italiaans dat iets of iemand bestaat, aanwezig is of ergens te vinden is. In het Nederlands kom je dan meestal uit bij er is en er zijn: Er is een probleem, Er zijn veel mensen, Is er hier een toilet? Dit is een A1-onderwerp, maar je gebruikt het voortdurend: in een café, in een hotel, op straat, op het werk en in gewone gesprekken.

De constructie bestaat uit ci plus een vorm van het werkwoord essere. C'è is de samengetrokken vorm van ci è en hoort bij enkelvoud. Ci sono hoort bij meervoud. De basisregel is dus eenvoudig: kijk naar het woord of de groep waarover je zegt dat die aanwezig is.

Voor Nederlandstalige leerders is dit tegelijk herkenbaar en verraderlijk. Het Nederlandse er lijkt op het Italiaanse ci, maar je kunt niet zomaar woord voor woord vertalen. È un problema betekent “het is een probleem”; C'è un problema betekent “er is een probleem”. In het Italiaans maakt dat kleine ci dus echt betekenisverschil.

Zo werkt het

De basisregel: enkelvoud of meervoud

Gebruik c'è bij één ding, één persoon, een abstract begrip of een niet-telbare hoeveelheid. Gebruik ci sono bij meerdere dingen of personen.

Vorm Wanneer gebruik je die? Italiaans Nederlands
c'è enkelvoud C'è un problema. Er is een probleem.
c'è één persoon C'è una signora alla porta. Er staat een mevrouw aan de deur.
c'è niet-telbare hoeveelheid C'è acqua nel frigo. Er is water in de koelkast.
c'è abstract begrip C'è tempo. Er is tijd.
ci sono meervoud Ci sono due sedie. Er zijn twee stoelen.
ci sono meerdere personen Ci sono molti studenti. Er zijn veel studenten.

De apostrof in c'è is verplicht in de gewone schrijftaal. Schrijf dus c'è, niet ce, ci e of ci è wanneer je “er is” bedoelt.

Wat betekent ci hier?

Het woord ci heeft in het Italiaans meerdere functies. In c'è en ci sono gedraagt het zich als een soort plaats- of aanwezigheidswoord. Het lijkt vaak op het Nederlandse er, maar het verwijst niet altijd naar een duidelijke plek. Soms betekent het gewoon: “in deze situatie bestaat of is er iets”.

Vergelijk:

Italiaans Nederlands Wat gebeurt er?
C'è un bar in piazza. Er is een café op het plein. Je introduceert het café.
Il bar è in piazza. Het café is op het plein. Het café is al bekend.
C'è una persona alla porta. Er staat iemand aan de deur. Er verschijnt iemand in het gesprek.
La persona è alla porta. De persoon is bij de deur. Je praat over een bekende persoon.

Dit verschil is belangrijk voor Nederlanders. In het Nederlands kun je soms soepel kiezen tussen er staat een café en het café staat. In het Italiaans is c'è de normale manier om iets nieuws of onbekends te introduceren.

Gewone woordvolgorde

De neutrale volgorde is:

c'è / ci sono + zelfstandig naamwoord + plaats of extra informatie

Voorbeelden:

  • C'è una farmacia vicino alla stazione. — Er is een apotheek vlak bij het station.
  • Ci sono tre libri sul tavolo. — Er liggen drie boeken op tafel.
  • C'è un messaggio per te. — Er is een bericht voor jou.
  • Ci sono molte macchine in centro. — Er zijn veel auto's in het centrum.

Plaatswoorden zoals qui en staan vaak achteraan:

  • C'è un bagno qui? — Is hier een toilet?
  • Ci sono bambini lì? — Zijn daar kinderen?

Vragen maken

In het Italiaans verandert de woordvolgorde meestal niet om een vraag te maken. Je gebruikt dezelfde vorm en laat de intonatie het werk doen, of je plaatst een vraagteken in geschreven taal.

Mededeling Vraag Nederlands
C'è un bagno qui. C'è un bagno qui? Is hier een toilet?
Ci sono posti liberi. Ci sono posti liberi? Zijn er vrije plaatsen?
C'è tempo. C'è tempo? Is er tijd?

Dit voelt anders dan Nederlands. Wij zetten vaak het werkwoord vooraan: Er is een probleemIs er een probleem? In het Italiaans blijft c'è of ci sono gewoon op dezelfde plek.

Ontkenning

Voor ontkenning zet je non vóór c'è of ci sono:

Italiaans Nederlands Opmerking
Non c'è problema. Er is geen probleem. Vaak als geruststelling.
Non c'è niente. Er is niets. niente versterkt de ontkenning.
Non ci sono biglietti. Er zijn geen kaartjes. Meervoud: ci sono blijft staan.
Non ci sono molte persone. Er zijn niet veel mensen. molte persone is meervoud.

Let op: Italiaans gebruikt vaak zowel non als een ontkennend woord zoals niente of nessuno. Dat is geen fout, maar normaal Italiaans: Non c'è niente betekent letterlijk ongeveer “er is niets”, niet een dubbele ontkenning zoals in verzorgd Nederlands.

C'è met lidwoorden en hoeveelheden

Na c'è en ci sono komt vaak een onbepaald lidwoord, een getal of een hoeveelheidswoord.

Type Italiaans Nederlands
onbepaald lidwoord C'è un cane nel giardino. Er is een hond in de tuin.
getal Ci sono quattro persone. Er zijn vier personen.
hoeveelheid C'è un po' di latte. Er is een beetje melk.
veel/weinig Ci sono molti problemi. Er zijn veel problemen.
geen/niets Non c'è nessun problema. Er is geen enkel probleem.

Bij niet-telbare woorden zoals acqua, latte, tempo, spazio en rumore gebruik je meestal c'è, ook als de Nederlandse gedachte niet duidelijk enkelvoudig voelt: C'è molto rumore betekent “er is veel lawaai”.

C'è of è?

Een van de belangrijkste keuzes is c'è tegenover è.

Gebruik c'è als je iets introduceert Gebruik è als het onderwerp al bekend is
C'è un ristorante qui vicino. — Er is hier vlakbij een restaurant. Il ristorante è qui vicino. — Het restaurant is hier vlakbij.
C'è una lettera per te. — Er is een brief voor jou. La lettera è per te. — De brief is voor jou.
C'è un problema con il computer. — Er is een probleem met de computer. Il problema è il computer. — Het probleem is de computer.

Voor Nederlanders is dit vergelijkbaar met het verschil tussen er is een restaurant en het restaurant is. Als je in het Nederlands er nodig hebt om iets te introduceren, heb je in het Italiaans vaak c'è of ci sono nodig.

Voorbeelden in context

Italiaans Nederlands Opmerking
C'è un problema. Er is een probleem. Enkelvoud: un problema.
Ci sono molte persone. Er zijn veel mensen. Meervoud: molte persone.
C'è un bagno qui? Is hier een toilet? Vraag zonder omkering.
Non c'è niente. Er is niets. non plus niente is normaal.
C'è una farmacia vicino all'hotel. Er is een apotheek vlak bij het hotel. Iets nieuws wordt genoemd.
Ci sono due posti liberi? Zijn er twee plaatsen vrij? Handig in trein, bus of restaurant.
C'è troppo rumore. Er is te veel lawaai. Niet-telbaar: enkelvoud.
Non ci sono biglietti per stasera. Er zijn geen kaartjes voor vanavond. Meervoud: biglietti.
C'è qualcuno in casa? Is er iemand thuis? qualcuno is enkelvoudig.
Ci sono bambini nel parco. Er zijn kinderen in het park. Meerdere personen.
C'è ancora tempo. Er is nog tijd. Veelvoorkomende geruststelling.
Ci sono tante cose da fare. Er zijn veel dingen te doen. cose is meervoud.
C'è posto per noi? Is er plaats voor ons? posto is enkelvoudig als algemene ruimte.
In questa città ci sono molti musei. In deze stad zijn er veel musea. Plaatsbepaling vooraan voor nadruk.

Veelgemaakte fouten

C'è vergeten waar Nederlands er gebruikt

  • Niet goed: È un problema con il telefono.
  • Goed: C'è un problema con il telefono.
  • Waarom: Je introduceert het bestaan van een probleem. Dan gebruik je c'è, niet alleen è.

Ci sono gebruiken bij een enkelvoudig woord

  • Niet goed: Ci sono un bagno qui?
  • Goed: C'è un bagno qui?
  • Waarom: un bagno is enkelvoud. Het maakt niet uit dat je in het Nederlands een vraag stelt; de keuze blijft enkelvoud tegenover meervoud.

C'è gebruiken bij een duidelijk meervoud

  • Niet goed: C'è molte persone alla festa.
  • Goed: Ci sono molte persone alla festa.
  • Waarom: persone is meervoud, dus je hebt ci sono nodig.

Nederlandse vraagvolgorde kopiëren

  • Niet goed: È c'è un problema?
  • Goed: C'è un problema?
  • Waarom: Het Italiaans maakt hier geen vraag door omkering. De vorm blijft hetzelfde; de intonatie maakt de vraag.

De apostrof in c'è weglaten

  • Niet goed: Ce un messaggio per te.
  • Goed: C'è un messaggio per te.
  • Waarom: c'è is de samentrekking van ci en è. Zonder apostrof ontstaat een andere vorm of gewoon een spelfout.

Een bekend onderwerp onnodig met c'è introduceren

  • Minder natuurlijk: C'è il mio passaporto nella borsa als je bedoelt: “Mijn paspoort zit in de tas.”
  • Natuurlijker: Il mio passaporto è nella borsa.
  • Waarom: Als il mio passaporto al het onderwerp is waarover je spreekt, gebruik je meestal essere zonder ci. C'è il mio passaporto nella borsa kan wel als je onverwacht ontdekt dat het paspoort daar ligt, maar het klinkt anders.

Gebruiksnotities

Non c'è problema

Non c'è problema is een zeer handige uitdrukking. Je kunt ermee zeggen dat iets geen probleem is, vergelijkbaar met Nederlands geen probleem of dat geeft niet. In informele gesprekken hoor je ook nessun problema.

  • Scusa per il ritardo. — Sorry voor de vertraging.
  • Non c'è problema. — Geen probleem.

C'è posto?

posto betekent onder andere “plaats” of “ruimte”. In restaurants, treinen, auto's en zalen is C'è posto? erg bruikbaar.

  • C'è posto per due? — Is er plaats voor twee?
  • Non c'è posto in macchina. — Er is geen plaats in de auto.

Hoewel Nederlands vaak meervoud gebruikt (zijn er nog plaatsen?), gebruikt het Italiaans met posto vaak enkelvoud als het om ruimte in het algemeen gaat.

Plaats vooraan zetten

Je kunt een plaatsbepaling vooraan zetten om het kader meteen duidelijk te maken:

  • In cucina c'è una bottiglia d'acqua. — In de keuken staat een fles water.
  • A Roma ci sono molti turisti. — In Rome zijn er veel toeristen.

Dit is heel normaal. De vorm c'è of ci sono blijft afhankelijk van het zelfstandig naamwoord erna.

Er staat, er ligt, er hangt

Het Nederlands is precies met werkwoorden als staan, liggen, zitten en hangen: Er staat een fles op tafel, Er ligt een boek op bed. Het Italiaans gebruikt in zulke eenvoudige aanwezigheidszinnen vaak gewoon c'è of ci sono.

  • C'è una bottiglia sul tavolo. — Er staat een fles op tafel.
  • C'è un libro sul letto. — Er ligt een boek op bed.
  • Ci sono dei quadri alla parete. — Er hangen schilderijen aan de muur.

Je hoeft dus niet telkens een apart Italiaans werkwoord voor staan of liggen te zoeken. Later leer je natuurlijk preciezere werkwoorden, maar c'è / ci sono is vaak de neutrale keuze.

Verder dan de basis

Andere tijden: c'era, c'erano, ci sarà

De A1-basis gaat over de tegenwoordige tijd. Later kom je dezelfde constructie tegen met andere tijden van essere.

Tijd Enkelvoud Meervoud Nederlands
verleden, beschrijvend c'era c'erano er was / er waren
toekomst ci sarà ci saranno er zal zijn / er zullen zijn
voltooid verleden c'è stato/stata ci sono stati/state er is geweest / er zijn geweest

Voorbeelden:

  • C'era molta gente. — Er waren veel mensen.
  • Ci saranno problemi? — Zullen er problemen zijn?
  • C'è stata una riunione. — Er is een vergadering geweest.

Bij voltooid verleden zie je dat het voltooid deelwoord zich kan aanpassen: stato, stata, stati, state. Dat hoort bij latere grammatica, maar het is goed om de vormen te herkennen.

Ci is niet altijd hetzelfde ci

In c'è en ci sono is ci deel van een vaste constructie voor aanwezigheid of bestaan. Maar ci kan ook “ons”, “daar”, “eraan” of “ermee” betekenen in andere zinnen. Vergelijk:

  • Ci sono tre persone. — Er zijn drie personen.
  • Ci vado domani. — Ik ga er morgen heen.
  • Ci penso io. — Ik denk eraan / ik regel het.

Probeer deze functies niet meteen allemaal tegelijk te leren. Voor dit onderwerp is de belangrijkste herkenning: c'è / ci sono samen betekent “er is / er zijn”.

C'è chi...

Op hogere niveaus zie je ook uitdrukkingen zoals c'è chi..., letterlijk “er is wie...”, natuurlijker vertaald als “sommige mensen...”.

  • C'è chi preferisce il caffè senza zucchero. — Sommige mensen drinken hun koffie liever zonder suiker.

Dit is geen A1-constructie om actief te beheersen, maar je kunt hem herkennen als een uitbreiding van hetzelfde idee: er bestaat iemand of er zijn mensen voor wie iets geldt.

Oefentips

  1. Kijk eerst naar het zelfstandig naamwoord. Onderstreep in oefenzinnen het woord na c'è of ci sono. Is het enkelvoud of niet-telbaar? Kies c'è. Is het meervoud? Kies ci sono.
  2. Vertaal Nederlandse zinnen met “er”. Maak lijstjes met zinnen zoals Er is een supermarkt in de buurt en Er zijn drie stoelen. Zet ze om naar Italiaans en let erop dat je niet alleen è gebruikt.
  3. Oefen met echte situaties. Stel vragen die je op reis nodig hebt: C'è un bagno qui?, Ci sono posti liberi?, C'è una farmacia vicino? Zo wordt de constructie automatisch.

Gerelateerde concepten

  • Voorwaarde: Esserec'è en ci sono gebruiken vormen van het werkwoord essere.
  • Handig erbij: Onbepaalde lidwoorden — na c'è staat vaak un, uno, una of un'.
  • Handig erbij: Meervoudsvorming — helpt je snel te zien wanneer ci sono nodig is.

Vereiste kennis

Essere in het ItaliaansA1

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen C'è e Ci sono in Italiaans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Italiaans · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen