A1

Fare (doen en maken) in het Italiaans

Il Verbo Fare

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Italiaans op Settemila Lingue.

Overzicht

Fare is een van de werkwoorden die je in het Italiaans al heel vroeg nodig hebt. Je gebruikt het om te vragen wat iemand doet, om dagelijkse handelingen te noemen, om over ontbijt, boodschappen en wandelingen te praten, en zelfs om het weer te beschrijven. De basisvormen in de tegenwoordige tijd zijn onregelmatig: faccio, fai, fa, facciamo, fate, fanno.

Voor Nederlandstaligen voelt fare vaak logisch, omdat het zowel op “doen” als op “maken” kan lijken. Toch is dat precies de valkuil: Italiaans en Nederlands knippen de werkelijkheid anders op. Waar je in het Nederlands “een vraag stelt”, “ontbijt”, “boodschappen doet” of “koffie zet”, gebruikt het Italiaans vaak hetzelfde werkwoord: fare. Leer het daarom niet alleen als losse vertaling, maar vooral in vaste combinaties.

Dit is een A1-onderwerp, maar het blijft op hogere niveaus terugkomen. De beginner hoeft vooral de zes vormen en de meest voorkomende uitdrukkingen te kennen. Later ontmoet je fare in causatieve zinnen zoals faccio riparare la macchina en in idiomen zoals fare finta di. Die gevorderde toepassingen staan verderop apart, zodat je de kern niet uit het oog verliest.

Hoe het werkt

De tegenwoordige tijd van fare

Fare hoort historisch bij de werkwoorden op -are, maar het vervoegt niet zoals een gewoon werkwoord als parlare. Vooral faccio en fanno moet je bewust leren. De andere vormen lijken iets vertrouwder, maar ook daar is het beter om de hele reeks als één blok te oefenen.

Persoon Vorm van fare Nederlandse betekenis
io faccio ik doe / ik maak
tu fai jij doet / jij maakt
lui / lei / Lei fa hij doet, zij doet, u doet / maakt
noi facciamo wij doen / wij maken
voi fate jullie doen / jullie maken
loro fanno zij doen / zij maken

Zoals bij veel Italiaanse werkwoorden laat je het onderwerp meestal weg. De vorm zegt al wie de handeling uitvoert:

  • Faccio colazione. = Ik ontbijt.
  • Fate sport? = Doen jullie aan sport?
  • Fanno una pausa. = Zij nemen pauze.

Gebruik io, tu, noi enzovoort vooral bij contrast of nadruk:

  • Io faccio il caffè, tu prepari i bicchieri. = Ik zet de koffie, jij zet de glazen klaar.

Let ook op de spelling. Faccio en facciamo hebben cci, uitgesproken met de zachte klank zoals in ciao. Fanno heeft een dubbele n. Die dubbele medeklinker is in het Italiaans hoorbaar langer; fano is geen correcte vorm.

Fare als “doen”

Bij activiteiten, taken en gewoontes vertaalt fare vaak natuurlijk als “doen”. Toch kies je in het Nederlands soms een andere formulering.

Italiaans Natuurlijk Nederlands Opmerking
fare i compiti huiswerk maken / huiswerk doen beide Nederlandse vormen komen voor
fare sport aan sport doen niet letterlijk “sport maken”
fare la spesa boodschappen doen la spesa verwijst hier naar de boodschappen
fare un corso een cursus volgen Italiaans gebruikt vaak fare
fare un lavoro een klus doen / werk doen afhankelijk van context
fare una pausa pauze nemen niet letterlijk “een pauze maken”

Vooral fare la spesa is belangrijk in het dagelijks Italiaans. Het betekent “boodschappen doen”, bijvoorbeeld in de supermarkt of op de markt. Het is niet hetzelfde als alleen “geld uitgeven”, ook al kan spesa elders wel “uitgave” betekenen.

Fare als “maken”, “zetten” of “bereiden”

Fare betekent ook dat je iets maakt, bereidt of tot stand brengt. In het Nederlands gebruik je dan niet altijd “maken”. Bij eten en drinken zeg je vaak “zetten” of “klaarmaken”.

Italiaans Natuurlijk Nederlands
fare il caffè koffie zetten
fare la cena het avondeten maken
fare una torta een taart maken
fare una foto een foto maken
fare una lista een lijst maken
fare un disegno een tekening maken
fare il letto het bed opmaken

Niet elk Nederlands “maken” wordt automatisch fare. “Een huis bouwen” is meestal costruire una casa. “Een fout maken” is wel vaak fare un errore. Bij twijfel: leer veelvoorkomende combinaties als vaste woordgroepen in plaats van vanuit het Nederlands te gokken.

Veelvoorkomende vaste combinaties

Een groot deel van fare bestaat uit vaste uitdrukkingen. Deze zijn voor Nederlandse leerders vaak het nuttigst, omdat de letterlijke vertaling soms vreemd klinkt.

Italiaans Natuurlijk Nederlands
fare colazione ontbijten
fare una domanda een vraag stellen
fare una passeggiata een wandeling maken
fare una telefonata bellen / een telefoontje plegen
fare attenzione opletten
fare la doccia douchen
fare le valigie de koffers pakken
fare festa feestvieren
fare tardi laat zijn / te laat komen
fare presto opschieten / snel zijn

Let op het verschil tussen het Nederlandse werkwoord en de Italiaanse constructie. Fare una domanda is letterlijk iets als “een vraag doen/maken”, maar de goede Nederlandse vertaling is “een vraag stellen”. Het Italiaanse patroon is gewoon normaal en idiomatisch.

Weer en temperatuur: fa caldo

Bij weer en temperatuur gebruikt het Italiaans vaak fa. In het Nederlands zeggen we “het is warm” of “het is mooi weer”. Het Italiaanse fa heeft hier geen zichtbaar onderwerp zoals “het”.

Italiaans Nederlands
Fa caldo. Het is warm.
Fa freddo. Het is koud.
Fa bel tempo. Het is mooi weer.
Fa brutto tempo. Het is slecht weer.
Oggi fa molto caldo. Vandaag is het erg warm.

Verwar dit niet met essere. Als je over een concreet ding praat, gebruik je vaak essere: Il caffè è caldo = “De koffie is warm.” Als je het over de buitentemperatuur hebt, zeg je fa caldo.

Vragen en ontkenningen

Italiaans heeft geen extra hulpwerkwoord zoals Nederlands soms “doen” gebruikt. Je maakt een vraag met intonatie of met een vraagwoord.

Functie Italiaans Nederlands
vraag met vraagwoord Cosa fai? Wat doe je?
ja-neevraag Fai colazione a casa? Ontbijt je thuis?
ontkenning Non faccio sport. Ik doe niet aan sport.
formele vraag Che cosa fa Lei? Wat doet u?

Non staat vóór het vervoegde werkwoord: non faccio, non fai, non fa. Zeg dus niet faccio non.

Voorbeelden in context

Italiaans Nederlands Opmerking
Cosa fai stasera? Wat doe je vanavond? gewone vraag met tu
Faccio colazione alle otto. Ik ontbijt om acht uur. vaste uitdrukking, geen artikel na fare
Fai la spesa oggi? Doe jij vandaag boodschappen? la spesa hoort bij de uitdrukking
Mia sorella fa una torta. Mijn zus maakt een taart. fare als “maken”
Facciamo una passeggiata dopo pranzo? Zullen we na de lunch een wandeling maken? facciamo kan uitnodigend klinken
I ragazzi fanno i compiti in cucina. De jongens maken hun huiswerk in de keuken. meervoud: fanno
Oggi fa freddo, porto una giacca. Vandaag is het koud; ik neem een jas mee. weeruitdrukking met fa
Che lavoro fai? Wat voor werk doe je? letterlijk: welk werk doe je?
Non faccio sport, ma cammino molto. Ik doe niet aan sport, maar ik wandel veel. ontkenning vóór het werkwoord
Posso fare una domanda? Mag ik een vraag stellen? belangrijk vast patroon
Fate attenzione, per favore. Letten jullie alstublieft op. fare attenzione = opletten
Marco fa il caffè ogni mattina. Marco zet elke ochtend koffie. Nederlands gebruikt “zetten”
Fanno festa per il compleanno di Anna. Ze vieren feest voor Anna’s verjaardag. vaste combinatie
Lei fa colazione qui, signora? Ontbijt u hier, mevrouw? formeel Lei met vorm fa

Veelgemaakte fouten

Fare behandelen als een regelmatig -are-werkwoord

  • Niet: Io faro colazione.
  • Wel: Io faccio colazione.
  • Waarom: In de tegenwoordige tijd is fare onregelmatig. De ik-vorm is faccio, niet een vorm op basis van het gewone patroon parlo, mangio.

De dubbele medeklinker in fanno vergeten

  • Niet: Loro fano i compiti.
  • Wel: Loro fanno i compiti.
  • Waarom: De zij-vorm is fanno met dubbele n. In het Italiaans is zo’n dubbele medeklinker belangrijk voor spelling en uitspraak.

Nederlands letterlijk naar Italiaans omzetten

  • Niet: Posso porre una domanda? in een gewone A1-situatie.
  • Wel: Posso fare una domanda?
  • Waarom: Porre una domanda bestaat, maar klinkt formeler. In alledaags Italiaans is fare una domanda de normale keuze. Denk dus niet vanuit “een vraag stellen”, maar leer de Italiaanse combinatie.

Bij weer automatisch essere gebruiken

  • Niet: È caldo oggi. als je bedoelt dat het weer warm is.
  • Wel: Fa caldo oggi.
  • Waarom: Voor buitentemperatuur gebruikt het Italiaans meestal fa caldo en fa freddo. È caldo past eerder bij een concreet zelfstandig naamwoord: Il tè è caldo.

Het onderwerp te vaak uitspreken

  • Minder natuurlijk: Io faccio colazione, io faccio la doccia, io faccio la spesa.
  • Natuurlijker: Faccio colazione, faccio la doccia, faccio la spesa.
  • Waarom: Italiaans laat onderwerppronomen vaak weg. Gebruik io alleen als je nadruk of contrast wilt: Io faccio la spesa, tu cucini.

Elke vorm van “maken” met fare vertalen

  • Niet: Faccio una casa als je bedoelt “ik bouw een huis”.
  • Wel: Costruisco una casa.
  • Waarom: Fare is breed, maar niet onbeperkt. Voor bouwen, repareren, voorbereiden of creëren bestaan vaak preciezere werkwoorden. Voor A1 is het genoeg om de vaste basiscombinaties goed te kennen.

Gebruiksnotities

Fare is neutraal en zeer frequent. Je hoort het in informele gesprekken, in winkels, op school, op het werk en in nieuwsberichten. Omdat het zo algemeen is, kan het soms vaag klinken. Als je preciezer wilt zijn, kies je een specifieker werkwoord: preparare la cena in plaats van fare la cena, scattare una foto in plaats van fare una foto, costruire in plaats van fare bij bouwen. Toch blijft fare in alledaagse taal vaak helemaal natuurlijk.

Bij formeel aanspreken gebruik je Lei met dezelfde werkwoordsvorm als lui/lei: Che cosa fa? kan dus “Wat doet hij/zij?” of “Wat doet u?” betekenen. De context maakt duidelijk welke betekenis bedoeld is. In geschreven taal wordt het beleefdheidspronomen vaak met hoofdletter geschreven, maar in moderne informele teksten zie je ook kleine letter.

Voor Nederlandstaligen is nog één punt belangrijk: Italiaans heeft geen aparte constructie zoals het Nederlandse “aan het doen zijn” nodig om een gewone vraag te stellen. Cosa fai? kan “Wat doe je?” betekenen, maar ook “Wat ben je aan het doen?” als de situatie daarom vraagt. Als je echt wilt benadrukken dat iets nú bezig is, leer je later stare + gerundio: Che cosa stai facendo?

Verder dan de basis

Als beginner hoef je dit nog niet actief te beheersen, maar het helpt om te herkennen waar fare later terugkomt.

Het causatieve fare

Op B2-niveau leer je fare met een ander werkwoord om te zeggen dat je iets laat doen of ervoor zorgt dat iets gebeurt:

Italiaans Nederlands
Faccio riparare la macchina. Ik laat de auto repareren.
Mi faccio tagliare i capelli. Ik laat mijn haar knippen.
Il professore fa leggere il testo agli studenti. De docent laat de studenten de tekst lezen.

Dit is niet hetzelfde als het gewone fare van faccio colazione. De structuur is complexer: fare + infinitief, vaak met iemand die de handeling uitvoert.

Fare in idiomen

Op hogere niveaus kom je veel idiomen tegen. Sommige kun je niet letterlijk begrijpen:

Italiaans Nederlands
fare finta di doen alsof
fare del proprio meglio je best doen
fare in modo che ervoor zorgen dat
farcela het redden / erin slagen
fare a meno di het zonder iets stellen

Hier zie je dat fare soms samenklontert met andere woorden en een nieuwe betekenis vormt. Leer zulke uitdrukkingen als geheel.

Andere tijden

In deze les staat de tegenwoordige tijd centraal. Later heb je fare ook nodig in de verleden tijd en andere tijden:

Tijd Voorbeeld Nederlands
passato prossimo Ho fatto colazione. Ik heb ontbeten.
imperfetto Facevo sport da ragazzo. Ik deed aan sport toen ik jong was.
futuro Farò una domanda. Ik zal een vraag stellen.

Let op: het voltooid deelwoord is fatto. Dat is een vorm die je al snel tegenkomt, maar hij hoort bij een volgende stap in de werkwoordstijden.

Oefentips

  1. Leer fare in blokjes. Maak geen losse kaart “fare = doen/maken”, maar kaartjes zoals fare colazione, fare la spesa, fare una domanda en fare una passeggiata. Zo voorkom je letterlijke vertalingen uit het Nederlands.

  2. Oefen de zes vormen hardop. Zeg meerdere keren: faccio, fai, fa, facciamo, fate, fanno. Besteed extra aandacht aan faccio en fanno, want die wijken het meest af en bevatten klanken die je duidelijk moet uitspreken.

  3. Maak mini-zinnen over je eigen dag. Bijvoorbeeld: Faccio colazione alle sette, Faccio la spesa il sabato, Non faccio sport oggi. Persoonlijke zinnen blijven beter hangen dan losse lijstjes.

  4. Vergelijk bewust met het Nederlands. Noteer wanneer het Nederlands een ander werkwoord gebruikt: “een vraag stellen” = fare una domanda, “koffie zetten” = fare il caffè, “pauze nemen” = fare una pausa. Juist die verschillen zijn de moeite waard om te automatiseren.

Gerelateerde onderwerpen

Vereiste kennis

Regelmatige werkwoorden op -are in het ItaliaansA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Il Verbo Fare in Italiaans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Italiaans · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen