Engels grammatica
Verken 84 grammaticaconcepten — van beginner tot gevorderd.
Dit is de grammaticaboom die Settemila Lingue aandrijft — elk concept wordt een gerichte oefendeck met AI-gegenereerde flashcards.
Geen resultaten gevonden
A1 (30)
Persoonlijke voornaamwoorden (subject pronouns) zijn een van de eerste dingen die je leert in het Engels. Het zijn woorden die je gebruikt in plaats van een naam of zelfstandig naamwoord, als dat woord het onderwerp van de zin is — degene die de handeling uitvoert. In het Engels zijn er zeven persoonlijke voornaamwoorden: I, you, he, she, it, we, they.
Het werkwoord "to be" (zijn) is het allerbelangrijkste werkwoord in het Engels. Je gebruikt het om iemands identiteit, beroep, afkomst, leeftijd, locatie en eigenschappen te beschrijven. In de tegenwoordige tijd heeft "to be" drie vormen: am, is en are — afhankelijk van het onderwerp.
In het Engels zijn er drie lidwoorden: het onbepaalde lidwoord a/an en het bepaalde lidwoord the. Anders dan in het Nederlands of Duits veranderen Engelse lidwoorden nooit van vorm op basis van het geslacht of de naamval van het zelfstandig naamwoord — er is geen onderscheid tussen "de" en "het", en geen verbuigingen.
Regular plurals add -s or -es. Special patterns: -y→-ies (city→cities), -f/-fe→-ves (knife→knives). Irregular plurals: man→men, child→children, foot→feet, tooth→teeth, person→people.
Het werkwoord "to have" (hebben) is samen met "to be" een van de meest gebruikte werkwoorden in het Engels. Je gebruikt het om bezit uit te drukken ("I have a car"), maar ook in veel vaste uitdrukkingen over ervaringen, relaties en eigenschappen.
De gewone tegenwoordige tijd (present simple) is een van de meest gebruikte tijden in het Engels. Je gebruikt hem voor gewoontes, routines, algemene waarheden, feiten en vaste schema's. De naam "tegenwoordige tijd" is een beetje misleidend: het gaat niet alleen om wat je op dit moment doet, maar om wat altijd of gewoonlijk het geval is.
Om een zin in de present simple te ontkennen gebruik je het hulpwerkwoord do/does samen met not en de basisvorm van het werkwoord. Dit systeem is anders dan in het Nederlands, waar je gewoon "niet" achter het werkwoord plaatst.
In het Engels stel je ja/nee-vragen in de present simple door het hulpwerkwoord do of does vóór het onderwerp te plaatsen. Dit is anders dan in het Nederlands, waar je de zin gewoon omdraait. In het Engels heb je altijd het hulpwerkwoord "do" nodig.
Demonstrative pronouns and adjectives. This/these for things near, that/those for things far. This/that (singular), these/those (plural).
Bezittelijke voornaamwoorden (possessive adjectives) geef je aan wie iets toebehoort. In het Engels zijn dat: my, your, his, her, its, our, their. Ze staan altijd vóór een zelfstandig naamwoord en veranderen nooit van vorm — ongeacht het geslacht of getal van het zelfstandig naamwoord.
Net als in het Nederlands heeft het Engels verschillende vormen voor voornaamwoorden als onderwerp en als lijdend of meewerkend voorwerp. Als een voornaamwoord het onderwerp van de zin is, gebruik je de onderwerp-vorm (I, he, she...). Als het de ontvanger of het object van de actie is, gebruik je de objectvorm: me, you, him, her, it, us, them.
Existential 'there' to introduce new information. There is + singular/uncountable, There are + plural. Contractions: There's. Question: Is there...? Are there...?
Voorzetsels van plaats (prepositions of place) geven aan waar iets of iemand zich bevindt. In het Engels zijn de meest gebruikte voorzetsels van plaats: in, on, at, under, above, next to, between, behind, in front of en near.
Voorzetsels van tijd geven aan wanneer iets plaatsvindt. De drie meest gebruikte zijn in, on en at. De keuze hangt af van hoe specifiek of breed de tijdsaanduiding is — en de regels zijn anders dan in het Nederlands.
Can is het meest gebruikte modale werkwoord in het Engels. Je gebruikt het om aan te geven dat je iets kunt (vermogen of vaardigheid) of mag (toestemming). Het is het eerste modale werkwoord dat de meeste leerders leren op A1-niveau.
Vraagwoorden gebruik je om specifieke informatie te vragen. In het Engels zijn de belangrijkste vraagwoorden: what, where, when, who, why, how en combinaties zoals how much, how many, how long, how often. Ze staan altijd aan het begin van de vraag.
Which, how much en how many zijn drie vraagwoorden die je helpen om preciezere vragen te stellen. Ze worden vaak verward, maar elk heeft zijn eigen gebruik.
Hoofdtelwoorden (cardinal numbers) zijn de telnummers die je gebruikt om aantallen aan te geven: one, two, three... Ze zijn onmisbaar in het dagelijks Engels voor prijzen, tijden, telefoonnummers, leeftijden en meer.
Ordinal numbers: first (1st), second (2nd), third (3rd), then -th (4th, 5th...). Irregular: fifth, eighth, ninth, twelfth. Used for dates and rankings.
De tijd uitdrukken in het Engels kent twee systemen: het 12-uursformaat (met am/pm) en het 24-uursformaat (in officiële contexten). In informeel Engels wordt bijna altijd het 12-uursformaat gebruikt, waarbij je "half past", "quarter past", "quarter to" en "o'clock" gebruikt.
Days of the week and months always capitalized. Date formats: British (15th May), American (May 15th). On + day, in + month.
Bijvoeglijke naamwoorden (adjectives) beschrijven eigenschappen van zelfstandige naamwoorden: groot, klein, mooi, goedkoop. In het Engels staat het bijvoeglijk naamwoord altijd vóór het zelfstandig naamwoord — en het verandert nooit van vorm, ongeacht het geslacht of getal.
Bijwoorden van frequentie (adverbs of frequency) geven aan hoe vaak iets gebeurt. De meest gebruikte zijn: always, usually, often, sometimes, rarely, seldom en never. Ze worden bijna altijd gebruikt met de present simple om gewoontes en routines te beschrijven.
In het Engels wordt een fundamenteel onderscheid gemaakt tussen telbare (countable) en niet-telbare (uncountable) zelfstandige naamwoorden. Dit onderscheid bepaalt welk lidwoord je gebruikt, of je het meervoud kunt maken, en of je "some", "any", "much" of "many" gebruikt.
Some en any zijn hoeveelheidswoorden die je gebruikt als je niet een exacte hoeveelheid wilt aangeven. Ze worden gebruikt voor zowel telbare meervoudsvormen als niet-telbare zelfstandige naamwoorden.
De gebiedende wijs (imperative) gebruik je om opdrachten te geven, instructies te geven, advies te geven of iemand ergens toe uit te nodigen. In het Engels is de gebiedende wijs de basisvorm van het werkwoord, zonder onderwerp. Dat maakt het simpel: er is maar één vorm voor alle personen.
Voegwoorden (conjunctions) verbinden woorden, woordgroepen en zinnen met elkaar. Op A1-niveau zijn de belangrijkste Engelse voegwoorden: and, but, or, so, because en when. Ze maken je Engels vloeiender en complexer, ook als beginner.
De present continuous (ook wel present progressive genoemd) gebruik je voor acties die op dit moment plaatsvinden, tijdelijke situaties, en plannen voor de nabije toekomst. De vorm is: am/is/are + werkwoord + -ing.
Statische werkwoorden (stative verbs) beschrijven toestanden, emoties, zintuigen of mentale processen — geen acties. Het belangrijkste kenmerk: ze worden normaal gesproken niet in de continuous (-ing) vorm gebruikt, zelfs niet als iets nu aan de gang is.
Possessive 's for ownership. Add 's to singular nouns, just ' to plural nouns ending in s. Of + noun for things and long phrases.
A2 (15)
De verleden tijd (past simple) gebruik je voor acties en situaties die volledig in het verleden zijn afgerond. Voor regelmatige werkwoorden vormen je de verleden tijd door -ed toe te voegen aan de basisvorm: work → worked, play → played, finish → finished.
Naast de regelmatige werkwoorden die -ed krijgen, heeft het Engels honderden onregelmatige werkwoorden met een eigen verleden-tijdsvorm die je uit het hoofd moet leren. De meest gebruikte werkwoorden in het Engels zijn onregelmatig: go → went, have → had, be → was/were, come → came, get → got.
Om ontkenningen en vragen te vormen in de past simple gebruik je het hulpwerkwoord did (bevestigend) of didn't (didn't = did not, ontkennend). Na did/didn't staat altijd de basisvorm van het werkwoord — nooit de verleden-tijdsvorm.
Was en were zijn de verleden-tijdsvormen van het werkwoord "to be". Ze worden gebruikt om te beschrijven hoe iets was, waar iemand was, of hoe iemand zich voelde in het verleden. Ze volgen een ander patroon dan andere werkwoorden: je hebt geen "did/didn't" nodig voor vragen en ontkenningen — net zoals in de tegenwoordige tijd met "is/are".
De past continuous gebruik je voor acties die bezig waren op een specifiek moment in het verleden, voor achtergrondacties in een verhaal, en voor twee acties waarbij de ene bezig was toen de andere begon. De vorm is: was/were + werkwoord + -ing.
De present perfect simple gebruik je voor ervaringen, acties met een verband met het heden, en situaties die begonnen zijn in het verleden maar nog steeds relevant of doorgaand zijn. De vorm is: have/has + voltooid deelwoord (past participle).
Het onderscheid tussen de present perfect (I have seen) en de past simple (I saw) is een van de moeilijkste aspecten van het Engels voor veel leerders. In het Nederlands maak je dit onderscheid niet op dezelfde manier, waardoor er veel verwarring ontstaat.
Will is de meest basale manier om over de toekomst te spreken in het Engels. Je gebruikt het voor voorspellingen, beslissingen die je op het moment zelf maakt, beloftes, aanbiedingen en verwachtingen. De vorm is eenvoudig: will + basisvorm voor alle personen.
Going to gebruik je voor toekomstige plannen die je al hebt gemaakt en voor voorspellingen op basis van zichtbaar bewijs. Het is de toekomende tijdsvorm die de nadruk legt op intentie en concrete aanwijzingen.
De vergrotende trap (comparatives) gebruik je om twee dingen, mensen of situaties met elkaar te vergelijken. In het Engels voeg je -er toe aan korte bijvoeglijke naamwoorden, of je gebruikt more vóór langere bijvoeglijke naamwoorden. Na de vergrotende trap gebruik je altijd than (dan).
Highest degree comparison. The + -est for short adjectives, the most + adj for long. Irregular: best, worst, furthest. Often with in/of.
Should en must zijn twee modale werkwoorden die je gebruikt voor advies, aanbevelingen en verplichtingen. Ze lijken op elkaar, maar er is een duidelijk verschil in sterkte.
Have to en has to gebruik je om externe verplichting uit te drukken — iets wat verplicht is door een regel, situatie of een andere persoon. Het verschil met "must" is subtiel maar belangrijk: "must" komt vaker van binnenuit (je eigen gevoel van noodzaak), terwijl "have to" meer van buitenaf wordt opgelegd.
Bijwoorden van manier (adverbs of manner) beschrijven hoe een actie wordt uitgevoerd. In het Engels worden ze bijna altijd gevormd door -ly toe te voegen aan het bijvoeglijk naamwoord: slow → slowly, quick → quickly, careful → carefully.
Relative clauses give more information about nouns. Who for people, which for things, that for both. Defining clauses (no commas) identify the noun.
B1 (13)
De present perfect continuous gebruik je om aan te geven dat een activiteit begonnen is in het verleden en nog steeds bezig is of net gestopt is — met een zichtbaar resultaat of effect in het heden. De vorm is: have/has been + werkwoord + -ing.
De past perfect gebruik je om aan te geven dat een actie plaatsvond vóór een ander moment in het verleden. Het is de verleden-tijdsversie van de present perfect: had + voltooid deelwoord.
De eerste conditionale (first conditional) gebruik je voor situaties die realistisch en mogelijk zijn in de toekomst. Je beschrijft een situatie waarbij iets waarschijnlijk zal gebeuren als een bepaalde voorwaarde wordt vervuld.
De tweede conditionale (second conditional) gebruik je voor hypothetische, onwaarschijnlijke of denkbeeldige situaties in het heden of de toekomst. Het gaat om situaties die niet de werkelijkheid zijn — of die je als onwaarschijnlijk beschouwt.
Om mogelijkheid, onzekerheid of waarschijnlijkheid uit te drukken, gebruik je de modale werkwoorden might, may en could. Ze zijn alle drie relatief zwak in kracht — ze betekenen "misschien" of "het is mogelijk dat". Ze zijn minder zeker dan "will" en minder sterk dan "must".
De lijdende vorm (passive voice) gebruik je als de handeling belangrijker is dan wie de handeling uitvoert, of als de uitvoerder onbekend of onbelangrijk is. In plaats van "Someone stole my bike" (bedrijvende vorm) zeg je "My bike was stolen" (lijdende vorm).
De gerapporteerde rede (reported speech of indirect speech) gebruik je om te vertellen wat iemand anders heeft gezegd, zonder zijn of haar exacte woorden te gebruiken. Je rapporteert de boodschap, niet de letterlijke woorden.
Het rapporteren van vragen (reported questions) werkt anders dan het rapporteren van beweringen. Gerapporteerde vragen hebben geen vraagvolgorde en geen vraagteken — de bijzin heeft dezelfde woordvolgorde als een normale zin.
Where for places, when for times, whose for possession. Non-defining clauses (with commas) add extra information. Object relative pronoun can be omitted.
Used to en would gebruik je om gewoontes en herhaalbare situaties in het verleden te beschrijven — dingen die vroeger zo waren maar nu niet meer zo zijn.
In het Engels kun je een werkwoord als zelfstandig naamwoord gebruiken op twee manieren: als infinitief (to + basisvorm, bijv. to swim) of als gerundium (-ing vorm die als zelfstandig naamwoord werkt, bijv. swimming). Welke je gebruikt, hangt af van het voorafgaande werkwoord.
Too + adjective (excessive). Adjective/adverb + enough (sufficient). Enough + noun. Too/enough + to + infinitive for result.
Fraseologische werkwoorden (phrasal verbs) zijn combinaties van een werkwoord en een partikel (voorzetsel of bijwoord) die samen een nieuwe betekenis krijgen die niet altijd te voorspellen is uit de afzonderlijke woorden. Ze zijn een centraal kenmerk van het Engels — zowel in formele als informele taal.
B2 (10)
If + past perfect, would have + past participle for unreal past situations. Regrets and different outcomes. Contractions: would've, wouldn't have.
Gemengde conditionalen (mixed conditionals) combineren tijden uit verschillende conditionalen — je mengt het verleden en het heden. Er zijn twee hoofdpatronen: een verleden oorzaak met een huidig gevolg, of een huidige conditie met een verleden gevolg.
Wish en if only gebruik je om wensen, spijt of verlangen uit te drukken over situaties die anders zijn dan je zou willen. Ze worden gevolgd door dezelfde verbale constructies als de tweede en derde conditionale.
Met must have, might have, could have, can't have en should have kun je conclusies trekken over het verleden, of uitdrukken hoe zeker je bent over iets wat in het verleden is gebeurd. Dit zijn de verleden-tijdsvormen van modale werkwoorden voor deductie en speculatie.
Will have + past participle for actions completed before a future time. Often with by (the time), before, when. Emphasizes completion.
De future continuous (ook future progressive) gebruik je voor acties die op een bepaald moment in de toekomst bezig zullen zijn, voor beleefde vragen over toekomstige plannen, en voor het uitdrukken dat iets vanzelfsprekend of onvermijdelijk zal plaatsvinden.
Naast de basislijdende vorm zijn er in het Engels complexere passieve structuren die je op B2-niveau moet kennen: de causatieve constructie (have/get something done), de passieve infinitief en gerundium, en passieve rapportagestructuren (It is said that...).
Gespletste zinnen (cleft sentences) zijn een krachtige manier om een bepaald zinsdeel te benadrukken door het te isoleren. De twee meest gebruikte typen zijn de it-cleft (It is/was... that/who...) en de wh-cleft (What... is/was...).
Participiumzinnen (participle clauses) zijn compacte bijzinnen die worden gevormd met een deelwoord (-ing of -ed/past participle). Ze vervangen volledige bijzinnen en maken schrijftaal beknopter en eleganter.
Inversie (inversion) is het omdraaien van de normale zinsvolgorde (onderwerp-werkwoord) om nadruk te geven. In het Engels zie je dit na bepaalde negatieve of beperkende uitdrukkingen, in formeel schrijven, en in sommige vaste constructies.
C1 (8)
Formal subjunctive: base verb after verbs of suggestion/demand (suggest that he go), in fixed expressions (if need be, come what may). Were in all persons for hypotheticals.
Op C1-niveau gaat het gebruik van modale werkwoorden verder dan de basisvormen. Je leert subtiele nuances: semi-modale werkwoorden (be bound to, be likely to, be supposed to), complexe tijdscombinaties (ought to have, need not have), en modale werkwoorden in passieve en perfectieve constructies.
Op C1-niveau ga je verder dan de basislijdende vorm en leer je complexe passieve patronen die essentieel zijn voor formeel, academisch en professioneel schrijven. Dit omvat de dubbele passief, passief met subject-raising, passief continue en perfect aspecten, en gespecialiseerde academische patronen.
Connectors for sophisticated argumentation: nevertheless, nonetheless, hence, thus, furthermore, moreover, consequently, notwithstanding, albeit.
Ellips (ellipsis) is het weglaten van woorden die al eerder zijn genoemd of die uit de context duidelijk zijn. Substitutie (substitution) is het vervangen van al genoemde woorden door een pronomen of ander substituut. Beide maken taal compacter en eleganter.
Nominale bijzinnen (nominal clauses of noun clauses) zijn bijzinnen die de rol van een zelfstandig naamwoord spelen in een zin. Ze kunnen functioneren als onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, of als aanvulling na een koppelwerkwoord.
Hedging is het afzwakken of nuanceren van uitspraken om aan te geven dat je niet volledig zeker bent, dat je niet voor iedereen spreekt, of dat je een voorzichtige of academische bewering doet. Het is een essentieel kenmerk van academisch schrijven, wetenschappelijk taalgebruik en professionele communicatie.
Op C1-niveau ga je verder dan de basisfraseologische werkwoorden. Je leert complexere en minder doorzichtige combinaties, driedelige werkwoorden (three-part phrasal verbs), formele equivalenten, en hoe je ze in academische en professionele contexten gebruikt.
C2 (8)
Historical present for narrative effect, future perfect continuous, rare aspectual distinctions. Archaic forms: doth, hath, thou. Style in literature.
Formal/legal: hereby, thereof, wherein, henceforth, notwithstanding. Archaic pronouns and verb forms. Recognition in historical and legal texts.
Het Engels is een wereldtaal met enorme dialectale en regionale variatie. Op C2-niveau is het essentieel om de meest voorkomende variaties te herkennen en te begrijpen, ook al kies je zelf voor een standaard variant.
Stylistic constructions: rhetorical questions, litotes (not bad = good), hyperbole, understatement. Parallelism, chiasmus, antithesis for effect.
Academic conventions: passive preference, hedging, nominalization. Formal vs informal register. Latin abbreviations: e.g., i.e., etc., viz., cf.
Complex idiomatic expressions: be at sixes and sevens, have an axe to grind, add insult to injury, once in a blue moon, the ball is in your court.
Collocaties zijn woorden die van nature samen voorkomen in het Engels. Ze zijn niet idiomatisch (de betekenis is letterlijk begrijpelijk), maar de combinatie is vast — je kunt de woorden niet zomaar vervangen door synoniemen.
Register verwijst naar het niveau van formaliteit en de stijl van taalgebruik. Het Engels kent een breed spectrum van registers: van zeer informeel (slang, conversationeel) via neutraal naar formeel en academisch. Op C2-niveau kun je bewust schakelen tussen registers afhankelijk van de situatie, het publiek en het doel.
Klaar om Engels te leren? Probeer Settemila Lingue gratis — geen creditcard, geen verplichtingen. Oefen met AI-gegenereerde flashcards als je klaar bent om rond te kijken.
Gratis beginnen